Hier staan een aantal stukjes die het waard zijn om te bewaren.

Themazondag Christen-zijn op je werk (08-2015)

Zondag 8 november 2015. De foto's geven een beeld van na de dienst in 'De Burght'. 

De Landelijke Themazondag 'Christen-zijn op je werk' geeft aandacht voor de vraag hoe je op een goede manier christen kunt zijn op je werk en hoe je je werk moet zien. Veel kerken en gemeenten gebruiken deze themazondag ook om aandacht te besteden aan werklozen, studenten, huisvrouwen, vrijwilligerswerk en gepensioneerden.

In de week voorafgaand aan deze themazondag wordt er op woensdag 4 november 2015 in veel kerken dank naar God uitgesproken op de ‘Dankdag voor gewas en arbeid’. Daarom wordt juist op de zondag direct na Dankdag de relatie tussen geloof en werk centraal gesteld.

    

 

 

600 jaar stadsrechten  (05-2015)  Zie ook de fotoserie aan de rechterzijde

Op Goede vrijdag gaven de vier kerken uit Den Burg er feestelijk aandacht aan dat Texel 600jaar geleden stadsrechten heeft gekregen. Het christelijk geloof en de kerken zijn al die jaren in Den Burg en op Texel van grote betekenis geweest, de kerken maken deel uit van het cultureel erfgoed.

Het gebeurde in de Burght op Goede vrijdag omdat op die historische plek elk jaar de schepenen door de schout werden beëdigd. Deze ceremonie is na gespeeld. Het Katholieke Herenkoor zong 2 gregoriaans liederen uit de paastijd. Daarna kwamen de adspirant schepenen en familie de kerk binnen onder muzikale begeleiding van doedelzak  en trom.

De intrede van de schout was spectaculair, vanuit de hal werden de deuren geopend en ging de spot aan. Het orgel zette in, de trom klonk en de trompetten schallenden: de schout treed binnen!  Ten over staan van het volk legt hij de eed af. Hij is de vertegenwoordiger van de graaf op het eiland.

De schepenen dienden het belang van Texel. Zij werden gekozen uit de 4  toenmalige dorpen van het eiland: 4 uit Den Burg, 3 uit de Westen, 3 uit De Waal en 3 uit Oosterend. Uit die dorpen speelden mannen mee als schepenen. Ook vrouwen en kinderen , gekleed in historische kleding. De schout riep de adspirant schepenen per dorp naar voren, ze knielden en spraken de schout na. Dat was niet voor iedereen makkelijk. Muzikale intermezzo 's van trompetten wisselde de eed aflegging af.

Nadat de schout de schepenen en de burgers aan elkaar had voorgesteld verlieten zij onder applaus de kerk, met de doedelzak spelers voorop.

Het was een groot feest waar publiek en spelers van genoten hebben. Met dank aan iedereen, muzikanten ,zangers, spelers en de regisseur !
Namens de interkerkelijk werkgroep 600jaar, Janneke Tolsma.

Vormen waarin geloof gestalte krijgt. (05-2015)
Vanwege Texel 600 organiseerden de vier kerken een gezamenlijke tentoonstelling in de Burghtkerk. Elke kerk kreeg een eigen hoek waarin ze bijzondere voorwerpen uit hun verleden exposeerden. Veel meer dan een historische tentoonstelling was het voor mij een presentatie van de verschillende gestalten waarin het Christelijk geloof vorm krijgt.  De tentoonstelling liet prachtig zien hoe kerken eigen vormen kiezen waarin ze hun geloof bewaren. Dankzij de voorwerpen uit alle eeuwen werd dat heel mooi zichtbaar. Een tentoonstelling is een beetje als een bosje droogbloemen: je moet er een verhaal bij vertellen om de tuin te kunnen voorstellen waar de bloemen geplukt zijn.


Foto: Gerard Timmerman, Texelse Courant


De tentoonstelling kreeg de titel mee: “Texel: Stad geboren in de kerk”.  Immers het verkrijgen van de stadsrechten vond plaats op Goede Vrijdag 1414 in de Grote kerk van Den Burg. Vóór de opening van de tentoonstelling speelden  schout en schepenen de installatie nog eens na zoals dat 600 jaar geleden gebeurd zou kunnen zijn. De tentoonstelling werd geopend door burgemeester Francine Giskens. Tientallen vrijwilligers hebben spontaan meegewerkt aan dit interkerkelijk gebeuren. Dagelijks kwamen er zo’n 120 mensen kijken. Nadat ik een keertje door de tentoonstelling had gedwaald, bedacht ik voor mezelf de titel: “In de tuin van het geloof”.

De Katholieken hadden hun kleurige vaandels meegenomen. Vaandels in een kerk? Dat had ik nog nooit gezien. De katholieken hadden hun verenigingsleven goed georganiseerd. Ook op Texel bestond een katholieke voetbalclub, katholieke padvinderij, katholieke middenstandsbond, katholieke arbeidersbond en katholieke land- en tuinbouwbond. Elke club had zijn eigen vaandel en patroonheilige. Heiligen zijn voorgangers in het geloof en die horen in de kerk thuis. Het idee is dat in de middeleeuwen alle gilden hun eigen vaandels in de kerk hingen. Dat moet een fleurig gezicht zijn geweest.

Op de tentoonstelling waren ook de kazuifels (toga’s)  te zien, die elke priester droeg. Het zijn kunstschatten in zes verschillende kleuren. Elke kleur heeft een eigen betekenis en hoort bij een bepaalde tijd van het jaar of bepaalde gelegenheid. Zwart voor begrafenissen, Rood voor de dagen van de martelaren én Goede Vrijdag, Paars voor de advent en vastentijd, Wit voor feesten en Groen voor de zomertijd.
Overal in de wereld werden deze kleuren gebruikt. Ging je als katholiek in het buitenland naar de kerk, dan voelde je je toch heel snel thuis. Kunstschatten zijn voor de geloofsbeleving van katholieken van groot belang. In de Rooms-Katholieke kerk gaan geloof en schoonheid, hand in hand. Schoonheid roept verwondering op en  verwondering doet mensen dankbaar zijn voor alles wat is.

Naast de kerkschatten van textiel, liet de tentoonstelling ook metalen kunstwerken zien.  Bijvoorbeeld een wierookvat, een ciborie om hosties te bewaren en een monstrans waarmee je in een processie kon lopen. Nu was  het in Noord-Nederland verboden om in het openbaar een processie te houden. Daarom liepen ze hier ín de kerk en ín de kerktuin. Schoonheid roept verwondering op en nodigt uit tot beschouwing.  In de Katholieke kerk heeft alles wat je ziet symbolische betekenis en verwijst naar God. Neem bijvoorbeeld de monstrans; daarin namen ze , in de processie, een geconsacreerde hostie mee. Dat ronde stukje brood is het lichaam van Christus! Door een kijkglaasje in de monstrans kan iedereen het lichaam van Christus zien.  Wanneer de processie voorbijgaat, knielen de omstanders.

Nu moeten doopsgezinden niets van knielen hebben. Zij proberen mondige Christenen te zijn. Doopsgezinden willen als plaatselijke gemeente het lichaam van Christus vormen. Ook al zijn ze  een wereldkerk geworden met anderhalf miljoen leden, het gaat om de plaatselijke gemeente.  De nadruk op de gemeente en de aandacht voor de enkeling zijn voor Doopsgezinden gestalten van geloof. In de tentoonstelling zag je dit ook terug. Op een lange schutting werd het levensverhaal van één gelovige verteld: Jan Gerritzoon van Texel. Hij was de enige ketellapper van het eiland en doopsgezinde van het eerste uur.



Vanwege zijn doopsgezind-zijn moet Jan in 1561 voor de rechtbank van Texel verschijnen.  De schepenen bestraffen hem met doorboring van zijn tong. Maar de schout is ontevreden en eist een veel zwaardere straf . Daarvoor brengt hij Jan Gerritz naar het Hof van Holland in Den Haag. 1034 dagen wordt Jan in de Voorpoort van Den Haag verhoord en gemarteld. Uiteindelijk wordt hij op 16 december 1564 veroordeeld tot de brandstapel. Maar, wanneer zijn dood op Texel bekend wordt, ontstaat er grote beroering. De schepenen vrezen het ergste en organiseren daarop een openbaar debat. Nu durven ook anderen voor hun doopsgezind-zijn uit te komen. Pastoor Valcoogh moet zich verantwoorden voor zijn samenwerking met de schout. Hij zal dat jaar zijn jaargeld niet ontvangen. En vanaf dit moment kunnen dopers openlijk van hun gemeente op Texel spreken. Pastoor Valcoogh is later een calvinistische dominee geworden en heeft een grafsteen in de Grote Kerk gekregen.
De geschiedenis van Jan Gerritz is opgetekend in de Martelaarspiegel met etsen van Jan Luyken. Deze etsen werden met een beamer op de kerkmuur geprojecteerd.

Ook hing er een gemeentekaart van Nederland met alle doopsgezinde gemeenten. De meeste liggen nog steeds in Friesland waar het met Menno Simons begonnen is. Op Texel had je ooit 5 vermaningen: De Waal, Oosterend, Den Burg, Den Hoorn en de Koog. Vermaning is het Doopsgezinde woord voor kerk en betekent: “Bij-elkaar-roepen.” Door de vervolgingen zijn de dopers overal terecht gekomen. Er hing ook een wereldkaart van de Mennonieten, zoals ze in het buitenland heten. De meesten wonen tegenwoordig in Afrika en Amerika.
Dat er in latere tijden veel veranderd is voor de Doopsgezinden was te zien aan de spulletjes uit de 20ste eeuw, zoals een dopers kwartetspel,  een wandbord van Makkumer aardewerk en diverse theelepeltjes met de afbeelding van Menno Simons. Zou zoiets als gezelligheid ook een gestalte van geloof kunnen zijn?

Aan de overkant stonden de Gereformeerden, die vroeger misschien wel de beste kerk van Nederland maakten. Ze gingen niet één keer maar twee keer per zondag naar de kerk. Ze kenden niet alleen het Onze Vader uit hun hoofd maar ook de 52 zondagen van de Heidelbergse Cathechismus. Ook leerden ze de psalmen uit hun hoofd. Ze lazen de bijbel niet alleen in de kerk maar ook thuis; vóór en na het eten. Als Gereformeerden zongen, dan zongen ze  altijd uit volle borst. Heel veel Gereformeerden zongen thuis bij het harmonium. En op Texel zijn de meeste organisten nog steeds van gereformeerde afkomst. Ze konden ook heel goed vergaderen en debatteren, dat leerden ze op de jongelingsvereniging. Joop den Uyl en Maarten Schakel waren daar typische voorbeelden van. Ze kochten theologische boeken, waar ze allemaal een mening over hadden. Waar ze ook heel goed in waren, dat was collecteren en sparen.

Gereformeerden waren oorspronkelijk de ‘kleine luyden’ van Nederland, maar door hard werken en sparen kregen ze
maatschappelijk succes.  Al hun kerkgebouwen hebben ze zelf bekostigd. Toen de kerkgebouwen klaar waren, spaarden ze verder voor een eigen universiteit. In bijna alle gereformeerde gezinnen stond op de schoorsteenmantel een groen collectebusje voor de Vrije Universiteit in Amsterdam. Nu had ik verwacht dat er op de tentoonstelling van al deze gereformeerde dingen iets te zien zou zijn: Bijvoorbeeld theologische boeken van Kuitert en Wiersinga, een  huisbijbel  en een campingbijbel met rits, een voorzittershamer van de jongelingsvereninging en het groene collectebusje. Maar nee, niets van dat alles. Ik was met stomheid geslagen.

Gereformeerden hebben geen kerkschatten op aarde verzameld. Ze zongen immers: “Niet met hout en steen is het grote werk gedaan, het zal om ons zelve gaan….” Maar wat presenteerden ze dan wel?
Een gezaagd plaatje triplex  met daarop een gekalligrafeerd bijbeltekst uit het Oude Testament. Gereformeerder kan het niet. Terwijl dit plankje niet meer waard is dan drie kwartjes onthult het een hele wereld van menselijk geloof; Tranen sprongen bijna in mijn ogen, en dat is geen grap. Ik zal uitleggen uit welke tuinperkje deze gedroogde bloemen komen.

In de vorige eeuw hadden bijna alle gereformeerde kerken van Nederland een figuurzaagclub voor jongens en meisjes op woensdagmiddag. Omdat alle kinderen op die middag vrij hadden en er nog geen televisie was, stroomden de kinderen toe. Probleem met het jeugdwerk was : hoe kun je kinderen laten zien dat we christelijk zijn? Gereformeerden hadden daar geen moeite mee: Alle clubs begonnen daartoe met gebed. En zou er ook zoiets als gereformeerd-figuurzagen  bestaan? Ja, na de eerste zaagoefeningen mochten de kinderen prachtige bijbelteksten opschrijven. Zo’n triplex plaatje met een geschilderde tekst vond je dus ook op de tentoonstelling. Maar het bijzondere is dat dit triplex plaatje is aangeboden door de schilders die het kerkgebouw aan de Elemert hebben geschilderd. Het is dus door een volwassen man gezaagd en geschilderd, die zich daar niet te min voor voelde. Waarschijnlijk was ‘íe zelf gereformeerd en is het aangeboden ter gelegenheid van de opening.


De schilder heeft gekozen voor een zin uit het gebed van koning Salomo toen de tempel in Jeruzalem net klaar was.
Hij bidt om Gods aanwezigheid, anders blijft het slechts een huis van hout en steen. De tekst luidt letterlijk:
dat Uw ogen open zijn dag en nacht, over dit huis, over deze plaats van welke Gij gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn om te horen naar het gebed, het welk Uw volk bidden zal op deze plaats”. Uit het eerste boek Koningen hoofdstuk 8 vers 29.
Hier komen twee geloofsaspekten samen die typisch gereformeerd zijn: Bewustzijn van eigen kleinheid en tegelijkertijd streven naar het Allerhoogste. Want de gereformeerden van Den Burg identificeren zich met de grote koning Salomo en Israël. Hun kerk aan de Elemert kan net zo goed het Huis des Heeren zijn, als de tempel in Jeruzalem dat was. Dit identificeren en citeren maakt een hele eigen gestalte van geloof; zoiets heb ik Doopsgezinden nog nooit horen zeggen.

Op de tentoonstelling vinden we direct hiernaast de andere kerk die nu de PKN is geworden. Het was de Nederlands Hervormde kerk die met hele andere ogen  naar zichzelf kijkt. Om te beginnen is dit hún kerk. Alle andere kerken hebben een hoek gekregen in hùn kerkgbouw. De hele kerk ademt hervormdheid. De witte muren en pilaren, de grafstenen en het gedenkluik; het is allemaal van nà de Reformatie.  Die bevoorrechte positie is voor veel hervormden vanzelfsprekend. In alle dorpen en steden van Nederland was de hervormde kerk, de Grote Kerk. En altijd was dat het mooiste gebouw, met de  meeste geschiedenis. Natùùrlijk heeft in deze kerk de stads-wording van Texel plaatsgevonden, al bestonden de hervormden toen nog niet. Zij spelen hier een thuiswedstrijd. Naast de drieslag: geloof hoop en liefde, kenden de hervormden ook nog God-Nederland-Oranje. Natùùrlijk was het koningshuis hervormd.

Niet voor niets dragen zij de naam van Nederland in hun naam. Zij waren de volkskerk in het Noorden. En er is altijd een sterke historische verwevenheid met het landsbestuur geweest. In de vitrinekasten vond je daarvan de stille getuigen: de kerkelijke doop- en overlijdensregisters zijn de voorlopers van de  huidige burgerlijke stand. Ook de aanstellingsbrief van de onderwijzer lag in de kerk. Daarnaast vond je een acte waarbij deze kerk accijnzen mocht heffen op sterke drank, wijn en bier. De opbrengst daarvan ging naar de restauratie van de  Grote kerk.

Door haar geschiedenis weet deze Kerk dat ze drager is van de Nederlandse cultuur en centrum van de samenleving. Ook dat is een gestalte van kerkzijn. In dat besef vindt hier jaarlijks de dodenherdenking van 4 mei plaats. En in dat besef namen ze het initiatief voor een ‘liedboek voor de kerken’ dat sinds veertig jaar door zes kerken gebruikt wordt en in miljoenen oplage verkocht is.

 

Zo ruim en algemeen de PKN denkt, zo persoonlijk spreken de baptisten zich uit. Hoewel de baptisten vanaf het begin meededen wilden ze zichzelf niet in het verleden zien. Zij hielden zich ver van een historische tentoonstelling. Zij dachten veel meer in werkwoorden als getuigen, reclamemaken, verkondigen. De doop moest de scheiding maken tussen oud en nieuw. Oud is vooraf aan de doop, nieuw is erna. Ze hadden daarvoor twee kledingstukken meegenomen. Een gedragen bruine broek en een wit T-shirt als doopkleding. Met foto’s lieten ze zien hoe de doop door onderdompeling gaat. En rechts daarvan een foto van Jezus’ doop in de Jordaan. Met net zo’n wit shirt aan. Dat kan natuurlijk niet, want in de tijd van Jezus was er nog geen fototoestel. Maar de bedoeling is duidelijk; wat wij doen hebben we niet zelf bedacht.

Hier vinden we een hele bijzondere geschiedenis-opvatting. Om te beginnen moet je in je eigen leven een breuk maken, om verleden van toekomst te onderscheiden. In dit denken in tegenstellingen geven zij hun geloof vorm. En met je geloof verbind je je direct met de historische en toekomstige Jezus.

Katholieken, Doopsgezinden, Protestanten en Baptisten kennen ieder hun eigen vormen waarin ze hun geloof beleven. Op Texel zijn ze samen een boeket uit de tuin die geloven heet.
Hans Marseille